Dierenartsen

Vermindering antibioticumgebruik

De veterinaire sector onderschrijft de doelstellingen die beschreven staan in de nota van de Stuurgroep Antibioticaresistentie Dierhouderij: 20% reductie van antibioticumgebruik in de dierhouderij in 2011 en 50% reductie in 2013, ten opzichte van 2009. Vanuit hun rol als diergeneeskundig adviseur fungeren dierenartsen als een eerste aanspreekpunt voor de dierhouder om deze reductiedoelstellingen te halen.

Het SDa-expertpanel heeft per diersector indicatoren geformuleerd die als handvat kunnen dienen voor het plan van aanpak dat dierhouders samen met hun dierenarts opstellen om de reductiedoelstelling te realiseren. Deze indicatoren worden uitgedrukt in dierdagdoseringen per jaar. De SDa heeft inmiddels voor diverse landbouwhuisdieren indicatoren vastgesteld. U vindt deze SDa-indicatoren voor dierhouders door de betreffende dierhouder aan te klikken. 

Benchmark dierenartsen; de veterinaire benchmark indicator (VBI)

De SDa heeft in maart 2014 benchmarkwaarden voor het voorschrijfpatroon van dierenartsen geformuleerd. Het SDa-panel heeft voor het benchmarken van dierenartsen gekozen voor een systematiek die aansluit op de systematiek van benchmarkindicatoren voor dierhouders. De indicator voor de dierenarts wordt bepaald door de dierdagdoseringen van alle bedrijven waar hij/zij verantwoordelijk voor is. Dit voorschrijfpatroon is in eerste instantie diersoortgericht geanalyseerd. De resultaten leest in het SDa- rapport 'Veterinaire Benchmark Indicatoren (VBI); naar een transparant en verantwoord voorschrijfpatroon van antibitoica in de veterinaire praktijk'. U vindt hier de aanbiedingsbrief van de SDa en het volledige rapport.

Richtlijnen voor antibioticagebruik

Nadat de Gezondheidsraadcommissie in augustus 2011 het advies “Antibiotica in de veeteelt, en resistente bacteriën bij mensen” uitbracht zijn er twee wezenlijke veranderingen voor dierenartsen in Nederland doorgevoerd.

Ten eerste vanuit de beroepsvereniging Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD), waarvan de Werkgroep Veterinair Antibioticabeleid (WVAB) een richtlijn antibiotica heeft uitgebracht waarin alle antimicrobiële geneesmiddelen zijn geordend van 1e tot 3e keuze middel op grond van hun uitselecterend vermogen dan wel werkzaamheid ten aanzien van door de Gezondheidsraad aangewezen als volksgezondheidbedreigende resistente bacteriën, te weten de ESBL/AmpC dragen micro-organismen. Vervolgens zijn de verschillende antimicrobiële therapie formularia voor de voedselproducerende sector (dus nog niet GD en Paard) herzien. De afdeling Paard van de Universiteitskliniek heeft haar antibioticabeleid verwoord in het Formularium voor de universiteitskliniek voor paarden.

De KNMvD is daarnaast ook opdrachtgever voor het ontwikkelen van Richtlijnen voor Veterinair Handelen. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de (vak)groepen van de KNMvD, praktiserend dierenartsen en andere experts. De richtlijnen geven de professionele standaard aan voor alle dierenartsen bij het maken van bepaalde veterinaire beleidskeuzes en - beslissingen

Antibiotica die van kritisch belang zijn voor de volksgezondheid

Antibiotica die als laatste redmiddel worden ingezet in de humane gezondheidszorg verdienen bijzondere aandacht. Het is van groot belang dat deze middelen zorgvuldig en beperkt worden toegepast, zodat de werkzaamheid lang behouden blijft.

De SDa heeft besloten dat de streefwaarde voor de zgn 'derde-keuze middelen' 0 DDD/J is. Dit geldt voor alle diersectoren. Meer over dit besluit en het gebruik van deze middelen leest u in de SDa-rapportage ‘Het gebruik van fluorochinolonen en de derde en vierde generatie cefalosporines in landbouwhuisdieren’en de SDa-rapportages over het het gebruik van antibiotica bij landbouwhuisdieren in 2012 en 2013.
De SDa gaat er van uit dat het aantal bedrijven met nul-gebruik van deze middelen verder zullen toenemen.

De 'geborgde dierenarts'

De SDa ondersteunt het systeem van de ‘geborgde dierenarts’ dat op initiatief van de rundveesector en de KNMvD is ontwikkeld. Binnen dit systeem worden zowel de dierenarts als de dierhouder aangesproken op een restrictief en selectief antibioticumgebruik. Voor de geborgde dierenarts gelden eisen voor het gezondheidsmanagement op bedrijven, vastgelegd in een contract. De ‘geborgde dierenarts’ moet een opleiding volgen, is verplicht een bedrijfsgezondheids-, en behandelplan te maken en is samen met de dierhouder verantwoordelijk voor de registratie van het antibioticumgebruik. In navolging van de geborgde rundvee- en varkensdierenarts wordt het systeem van de geborgde dierenarts, in aanvulling op reeds bestaande kwaliteitsystemen, ook in de andere diersectoren  zoals pluimvee en vleeskalveren ingevoerd.

De Stichting Geborgde Dierenarts (SGD) heeft de Veterinaire Benchmark Indicator (VBI) eind 2014 in haar reglementen opgenomen. In 2015 krijgen geborgde dierenartsen via de verschillende databases eerst inzage in hun eigen VBI. Hierdoor kunnen zij hun voorschrijfpatroon van antibiotica vergelijken met dat van collega’s en daar waar nodig verbeteringen doorvoeren. Vanaf 2016 gaat een inspanningsverplichting gelden voor geborgde dierenartsen met een VBI in het actiegebied om zich met hun veehouders in te spannen om verbeteringen te realiseren met als doel om uiteindelijk uit het actiegebied te komen.
De SDa is positief over deze ontwikkeling binnen de SGD.  Oude voorschrijfpatronen doorbreken is een leerproces van zowel de dierenarts als zijn veehouders. De start van deze verbetertrajecten op basis van de VBI is een belangrijke stap in de gang naar restrictief en selectief antibioticagebruik in de dierhouderij.  Meer informatie over de verbetertrajecten vindt in de SGD-Nieuwsbrief van januari j.l.

De Stichting Geborgde Dierenarts (SGD) organiseert samen met SDa en partijen uit de Colleges van Belanghebbenden (CvB) informatie-bijeenkomsten voor alle geborgde dierenartsen over de Veterinaire Benchmark Indicator en het daaraan gekoppelde Verbetertraject. Data en locaties vindt u in de SDa-agenda.

KPMG-rapport over antibioticumregistratie door dierenartsen

KPMG heeft met oog op gegevenskwaliteit in opdracht van de SDa nu ook een inventarisatie gemaakt van de antibioticumregistratie door dierenartsen. Er blijken nog kwetsbaarheden in het registratieproces te bestaan die verbetering behoeven. De SDa neemt de aanbevelingen die in het KPMG-rapport worden gedaan ter verbetering over en zal zich inzetten voor een snelle realisatie. U vindt hier de aanbiedingsbrief van de SDa en het volledige KPMG-rapport.

Alle EU-cascademiddelen worden opgenomen in de Branche Code Tabel (BCT)

Vanaf 1 augustus 2013 worden alle verzoeken om cascademiddelen op te nemen in de Branche Code Tabel (BCT) gehonoreerd. Wat verandert er voor u? Eigenlijk niet veel: het gebruik van cascademiddelen blijft hiermee primair een verantwoordelijkheid van de voorschrijvende dierenarts. Opgenomen EU-cascademiddel in de BCT geeft geen wettelijke grondslag om deze middelen zonder verdere onderbouwing voor te schrijven. Afhankelijk van uw PMS-systeem wordt het middel zichtbaar met  de productnaam toegevoegd met de tekst 'alleen indien onderbouwd via cascade'. Voor wie levert het dan wel wat op:  De Stichting Diergeneesmiddelenautoriteit (SDa) krijgt op deze manier zicht op alle voorgeschreven antibiotica, ook de middelen die volgens cascade toegediend zijn.

Klik hier voor meer informatie over de toekenning van EAN-code aan cascademiddelen.