Rundveehouder

Vermindering antibioticumgebruik

De Nederlandse rundveehouderij streeft met de varkenshouderij, de kalverhouderij en de pluimveehouderij naar een reductie van antibioticumgebruik van 20% in 2011 en 50% in 2013, ten opzichte van 2009. Deze doelstelling hebben de vier grootste diersectoren samen met andere ketenpartijen geformuleerd in de nota van de Stuurgroep Antibioticaresistentie Dierhouderij. Het SDa-expertpanel stelt benchmarkwaarden op voor antibioticumgebruik die dierhouders als handvat kunnen gebruiken om de gestelde doelen te behalen. Deze indicatoren worden uitgedrukt in een dierdagdosering per jaar.

De benchmarkwaarden zijn vastgesteld op basis van de gebruiksgegevens over 2013. De laatste stand van zaken leest u in het SDa-rapport: ‘Het gebruik van antibiotica bij landbouwhuisdieren in 2015’; Trends, benchmarken bedrijven en dierenartsen’.

 

Aanpassing rekensystematiek rundveebedrijven

De SDa heeft in 2012 in overleg met de vertegenwoordigers van de rundveesector afspraken gemaakt over de aanpassing van de rekensystematiek voor rundveebedrijven. In antwoord op vragen over de effecten van deze aanpassing geven wij graag toelichting op deze rekensystematiek. Wij hopen met deze toelichting de aanpassingen te verhelderen en onduidelijkheden weg te nemen.

Registratie diergeneesmiddelen

Rundveehouders kunnen het antibioticagebruik op hun bedrijf registreren via de private kwaliteitssystemen waarbinnen ze produceren. Hierdoor ontstaat er een helder beeld van de eigen prestatie en het behalen van de gestelde reductiedoelstellingen door de rundveehouderij. De SDa vraagt deze data op, beoordeelt de kwaliteit en voert analyses uit. De uitkomst van deze analyse wordt gerapporteerd aan de diersectoren en de overheid. Op basis van de data kan de SDa begeleidingsprogramma’s voorstellen voor rundveehouders die bovenmatig veel antibiotica inzetten.

Kritische middelen

Antibiotica die als laatste redmiddel worden ingezet in de humane gezondheidszorg verdienen bijzondere aandacht. Deze antibiotica zijn het meest recent ontwikkeld en micro-organismen hebben hier meestal nog geen resistentie tegen ontwikkeld. Daarom kunnen ze levensreddend zijn voor patiënten met een infectie die niet reageert op behandeling met oudere antibioticasoorten. Het is van groot belang dat deze middelen zorgvuldig en beperkt worden toegepast, zodat de werkzaamheid lang bewaard blijft.

De SDa heeft besloten dat de streefwaarde voor de derde-keuze middelen 0 DDD/J is. Dit geldt voor alle diersectoren. Meer over dit besluit en het gebruik van deze middelen leest u in de SDa-rapportage  ‘Het gebruik van fluorochinolonen en de derde en vierde generatie cefalosporines in landbouwhuisdieren’ en de SDa-rapportage 'Het gebruik van antibiotica bij landbouwhuisdieren in 2012’.
De SDa gaat er van uit dat het aantal bedrijven met nul-gebruik van deze middelen verder zullen toenemen.

Plan van aanpak

Op basis van de benchmarkindicatoren van het SDa-expertpanel kunt u in overleg met uw dierenarts een plan van aanpak formuleren om de reductiedoelstelling te behalen en het gebruik van kritische middelen onder de loep te nemen. Het strekt tot aanbeveling om ook uw andere bedrijfsadviseurs hierbij te betrekken. 

SDa-Signaal uit het veld over mogelijk preventief gebruik van monensin

De SDa heeft vragen gekregen over mogelijk preventief gebruik van monensin bij runderen. De SDa heeft hierover een rapport gepubliceerd. Meer hierover leest u in het Monensin rapport.